Hoe leven honingbijen ?

Honingbijen zijn net als hommels en mieren sociale insecten met een gedifferentieerde taakverdeling. Een bijenvolk bestaat uit een koningin die haar hele leven eitjes legt, mannetjes die alleen een rol spelen bij de bevruchting van de koninginnen, allerlei soorten werkers (vrouwelijke bijen) voor het schoonmaken van het nest (bijenkast of korf), temperatuurregulatie, ventilatie, voederen van de larven, verdedigen van het nest en bijen die water en voedsel halen.
Honingbijen bouwen raten van was, die uit zeshoekige cellen bestaan. Alleen al door de geavanceerde architectuur van het nest hebben honingbijen al sinds mensenheugenis diep respect afgedwongen. De grootte van het nest is afhankelijk van de ruimte – onder natuurlijke omstandigheden de holte waarin het nest wordt gemaakt -- en de hoeveelheid beschikbaar voedsel. Indien er veel voedsel beschikbaar is en de ruimte groot is, kan het bijenvolk steeds door blijven groeien. Zodra het nest te klein wordt, gaat een deel van de bijen samen met de koningin op zoek naar een nieuw nest (het zwermen van bijen).

Bijenkasten

In een groot gedeelte van de wereld worden bijen in kasten en korven gehouden. De grootte hiervan is min of meer afgestemd op de gemiddelde groei van een bijenvolk. In het voorjaar, als het bijenvolk zijn maximale grootte bereikt, weten imkers het zwermen te voorkomen door de jonge bijen samen met de oude koningin een nieuwe nestplaats (kast of korf) aan te bieden. Het wonderlijke hiervan is dat de oude bijen zonder koningin achterblijven en dat door een uiterst ingewikkeld,  zeer boeiend proces, larven die voorbestemd waren werkers te worden, uitgroeien tot koningin. De koningin die het eerste uitkomt, mag blijven leven. Dat is het meeste cruciale moment van het imkeren. Aan de hand van geluiden die door de koninginnen worden voortgebracht, het zogenaamde tuten en kwaken, kan een imker bepalen of er een koningin is geboren. Zodra dat het geval is worden de overige (grote) cellen waarin zich  ongeboren koninginnen bevinden door de imker vernietigd. Als  dit ingrijpen achterwege blijft,  is de kans groot dat verschillende koninginnen er alsnog met een bijenzwerm vandoor gaan.

Een bij leeft ca. 6 weken.  gedurende het totale vliegseizoen (maart-september) moeten er daarom continu larven worden grootgebracht om het bijenvolk op peil te houden. Dat kan alleen als er voldoende stuifmeel –lees: bloemen- aanwezig is om een nieuwe generatie bijen van voedsel te kunnen voorzien. Een gezond bijenvolk bevat meer dan 50.000 bijen. Op jaarbasis hebben deze ca. 35 tot 50 kg stuifmeel en een veelvoud aan nectar nodig. Het eiwitrijke stuifmeel is noodzakelijk voor de ontwikkeling van de larve. Voor een goede ontwikkeling zijn verschillende soorten stuifmeel nodig om de volledige eiwitbehoefte van de bijen te dekken. Nectar is nodig voor de energievoorziening.  Nadat de nectar 4 tot 6 keer is ingedikt door middel van verdamping. Wordt het als honing opgeslagen. Dit is een actief proces dat de bijen met hun vleugels teweeg brengen.

Bloemenrand

Imers aan het werk

Alles bij elkaar gaat het om een paar honderd kilo voedsel, die moet worden aangesleept. Noodzakelijkerwijs moet dit efficiënt gebeuren. Werkers verkennen de omgeving. Als ze een plek hebben gevonden waar redelijk wat voedsel aanwezig is, vliegen ze terug en draaien in de kast of korf krakelingachtige rondjes (de bijendans) waarin ze aangeven in welke richting de bijen moeten vliegen. Hoe meer er te halen is, des te heftiger de dans. Grote terreinen met bloeiende planten kunnen dan in korte tijd massaal door bijen worden bezocht. In korte tijd zit dan de kast vol met honing die door de imker wordt geoogst. De imker biedt de bijen in plaats daarvan suikerwater aan. Op locaties waar weinig of geen nectar van de bloemen kan worden gehaald, worden er soms alternatieve koolhydraatbronnen gebruikt. Dit kan  honingdauw zijn die door bladluizen wordt afgescheiden of een afscheiding van suikerhoudende vloeistoffen door bladeren of extraflorale nectariën van planten. Nectariën zijn honingklieren die zich buiten de bloem bevinden. Bij het geslacht Prunus bevinden die zich op de bladstelen en bij adelaarsvaren in de bladoksels van de deelbladeren.

 

 

Bron: www.bijenhelpdesk.nl, Arie Koster